PHANTASMATA V: DEMENTIA  |  PHOTOGRAPHIC WALKS, GANSHOREN

This autumn, I had the opportunity to work with an amazing group of people at Lokaal Dienstencentrum De Rotonde in Ganshoren.

A Lokaal Dienstencentrum is a community center for senior citizens. I had been asked by BrOes, the reference organisation in Brussels when it comes to dementia-related issues, to propose a series of artistic workshops in the theme of memory and photography, in the framework of my Photographic-Therapeutic Walks. For ten weeks, our group of ten had the most wonderful Tuesday afternoons, resulting in a unique expo moment in December. Over the weeks, tears were shod, memories revived for the first time in more than 25 years, pictures were shown which had never left the secrecy of their drawers.

Every week I returned home exhausted. Not because Jenny, Viviane, Peter, Anahit, Suzanne, Chantal, Paul, Françoise or Hélène had been difficult, but because of the sheer importance of sharing time with those among us who are a lot older (or younger) than we are. They are our bridge to times future and past, they are an answer to problematic questions about meaning and individualistic angst.
So let’s say something about memories, about (not) forgetting.

Right now, de Rotonde has been closed for eight weeks. They work hard at keeping some (online) form of their service active and everyone of the group is doing well, but they all miss the physical proximity of one another. Almost everyone in the group lives alone.

Lately, I have been thinking a lot about this image we made. It was made during our fourth session together. An accidental miracle, a calculated mistake, time intruding in the still image. We are all channels through which energy passes, we are this energy, we are energy in which energy becomes itself, again and again. Light reflects on us, we are the reflection, we are that which is reflected. We leave an image, we leave a trace.

As an artist, which is to say nothing else than to say as a human being, I try to be open to the energies of others and of my surroundings. You don’t have to try to connect. You are connected. The trick is to make these connections conscious, and, through your openness, give others the opportunity to experience this connection. 

 We all miss, but some miss more than others. Never forget.

at home, May 5, 2020



THROUGH THE FIRE WE SHALL BE REBORN 

— During the last session of the series of Phantasmata workshops in Ganshoren, before we had to start preparing the exhibition, we went for a final walk. With our group of nine, we went into the little patch of woods which used to be a dumping site, which is called the Green Heart, and which is definitely a locus phantasmatae for me, since I spent much of my childhood and youth there, and have been documenting the evolution of this little part of the city since nearly two decades. 

 *** Before we left our studio in the community center, everyone had to choose one out of the hundreds of photographs we had made over the course of the weeks. I had asked them to choose a photo which for a reason affected them more than all the other pictures on the table, and they could not show to the others which one they had chosen. I had not told anything of our reasons to go into the grove, but as I knew every little pocket of hills and shrubbery there, I had some idea where I was taking them. Not all of us were sure-footed going into the woods, where twilight had set in very early, it being late November and cold too. Two of them needed the help of others to walk, let alone to climb over fallen trees and down muddy slopes. As we reached a clearing where the grass and branches had long since been eroded from the soil, I explained the task ahead of us. 

*** Everyone of them was to present their chosen photo to the group, after which the group would close their eyes and the person whose turn it was, would throw the chosen photograph in the fire I would make in a little pit I had quickly dug in the mud. While the photograph was burning, he or she would tell us why they had chosen that one photograph. Then, while everyone’s eyes were still closed, they should each make one photograph with the disposable cameras I brought, a picture of something there without telling the group what the subject was. Meanwhile, the others would just listen, to the stories, to the fire, to the birds, the shutter and flash of the camera and the other sounds of the city so close yet so far away. 

*** The photographs they chose that afternoon have disappeared, turned to ashes and buried beneath the earth. Their stories, mostly of loss and loneliness, have been dissipated by the wind. But the moment remained, as did the photographs they made when they were the only eyes of our group of nine. 

*** As an epilogue: after all the photos had burned, we walked farther into the grove, into the direction of my youth, back in time, into the future. Something had shifted in the mood of the day, as if we were no longer the same people we had been before. Laughter was in the air. It got dark quick, and very cold, but somewhat farther we saw a light in a little house that stands there since around the time of the French Revolution. I walked up to the light and as if by miracle, found a bar there, from another age, with nearly thirty elderly playing cards and drinking in focused silence. I bought them all drinks and not much later we were thrown our of the bar because we made too much noise. 

at home, May 14, 2020




Ben Lerner - The Hatred of Poetry ( vertaald als Waarom wij poëzie haten)

Ben Lerner Years Later/

‘Ben*,

Daarnet viel er licht door het achterste linkerraam van de Audi. Ik besliste om aan Moortgat nog eens linksaf te slaan. ‘Volgens mij is het weer palingseizoen, ‘ dacht ik, maar ik vergiste me. Even later was ik, wederopkomende buikloop in het vooruitzicht, genoodzaakt me hier in café De Kaai te installeren. Als het ergens moest gebeuren, kon het evengoed hier zijn.

Ik schrijf je dus vanop een terras aan een parking, aan een bocht in de Schelde. Ik overzie de Evernote-notities, de iPhone Notes-notities, de stapeltjes in twee gescheurde A4’s gered uit en voorbestemd voor de papiermand, de openstaande Chrome-tabbladen, het interview met de London Review of Books dat de soundtrack vormt van deze woorden, de pagina’s in schriftjes en schriften, weken van leegte gevuld met jouw haat. Hoe ben jij ooit in mijn leven gekomen?

Ik herinner me de mail waarin Benjamin Sprengers me attent maakte op jouw bestaan, in de zomer. Ik checkte het zojuist in m’n Gmail en ontdekte dat het in die zelfde mail was dat ik Benjamin van de kanker van mijn vader vertelde, de heup van mijn moeder, dezelfde mail ook waarin ik hem antwoordde (maar niet stuurde) hoe ik gewoon hoopte niet te plooien onder al wat mij overspoelde. Tussen dat alles door beschreef Benjamin je als iemand die ‘vooral vanuit zijn eigen standpunt lijkt te schrijven, maar zijn slimheid en poëtische vermogens maken dat hij steeds iets wezenlijks aanraakt over het leven in deze tijd.’

Ik ging op zoek en leerde dat je als schrijver wereldberoemd en gelauwerd bent, omwille van het subtiele, hedendaagse spel dat je speelt met vertelperspectief en protagonist, mens en dichter, dichter en schrijver. Hoe je het Ik grondig uit elkaar trekt en zo ironisch zelfbewust elke mystificatie van het menselijke Zelf voorkomt, in vraag stelt, aanvalt. in 10:04 en The Polish Rider toonde je hoezeer je het spel van verwachtingen en inleving beheerst, het medium en de inhoud exact weet af te meten. Men vertelt me dat je in Leaving the Atocha Station, dat ik nog niet las, je verteller prachtig de kloof tussen dichter, dichtkunst en poëzie laat uitspitten…, ’ 

Ik stop met schrijven. Het London Review of Books-interview heb ik op pauze gezet, terug naar het begin gesleept. Na 6 minuten (van de 53) zei Lerner dat het hem spijt, spijt dat hij het upgefucked heeft, dat hij in The Hatred of Poetry wat duidelijker had moeten zeggen dat hij ook wel wist dat het Perfecte Gedicht niet écht bestond, dat het hem erom ging dat er eisen aan poëzie gesteld worden die met de beste wil van de wereld door gedichten kunnen verwezenlijkt worden 

Wat moet ik met deze spijt en dit schuldbesef? Wat moet ik nu met het hele oprechte pleidooi van het essay? Het lijkt erop dat hij The Hatred schreef vanuit een schaamte, vanuit het gevoel gehaat te worden als dichter. (Ik herinner me mijn lief die me, moegetergd door uren emotionele discours, probeert duidelijk te maken dat het niet is omdat ik me onbegrepen voel, dat ik ook echt onbegrepen ben.) 

In een van mijn tabbladen staat het gesprek dat Ben Lerner in 2012 had voor de Los Angeles Review of Books met zijn vriend en favoriete dichter Cyrus Console. Had ik dat stuk gelezen voor ik het essay las, ik had geen woord geloofd van wat hij schreef, de twijfel over zijn kunst te diep, de twijfel over zijn twijfel te groot. Maar ik las het pas nu, en nu is het te laat. Want The Hatred of Poetry is wat het is, uitgegeven, vandaag voor 22u besteld, morgen geleverd, in het Engels of het Nederlands. 

In tegenstelling tot in zijn romans hield Lerner in The Hatred of Poetry de schijn hoog dat de verteller en de schrijver één waren, maar niet, dus. Ik weet niet meer tot wie ik me nu richt, maar verder moet je, wanneer er sprake is van liefde. 

‘…en zo had je eind 2016 in The Hatred of Poetry de kans, het publiek én het momentum om uit te pakken. Je bouwde je argumentarium uit, boos was je, druppel na druppel je dichtersemmer met onbegrip gevuld. Je schreef er voor de London Review of Books een dagboekstuk over, persoonlijk, urgent, vanuit een oprechte verontwaardiging en twijfel over je gelijk. Je bouwde je dagboekstuk uit tot essay, noemde het The Hatred of Poetry – ik begrijp dat, haat verkoopt. Daarin wou je zó graag je slim, goedgevonden punt maken dat je doorprikbaar werd. Je stond klaar om iets te zeggen over menselijkheid, aanvaarding, empathie in een wereld zonder Idealen, een grond zonder Hemel, maar herschiep God.’ 

Waarom ben ik zo boos? Ik moet een paar stappen terug, mentaal mijn tong zeven keer ronddraaien in mijn mond. Het punt dat Lerner wou maken in het essay: poëzie en haat tegen poëzie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Elk gedicht faalt ten opzichte van het ideale, Platonisch Perfecte Gedicht waarin het onderscheid tussen subject en object, vroeger en later, hier en daar, jij en ik, opgeheven wordt. Dit Perfecte Gedicht is zowel de meest individuele expressie van de meest individuele emotie als universeel begrijpelijk. 

Deze theorie bouwt Lerner op vanuit Plato’s veroordeling van dichters in de Politeia en vanuit diens axioma dat opdat iets imperfects zou kunnen bestaan, er een Perfect Idee moet bestaan in vergelijking waarmee al het geactualiseerde imperfect is, en dus faalt. Mensen haten dus al millennia imperfecte, geactualiseerde poëzie, omdat er perfecte Poëzie bestaat die nooit door levende, menselijke dichters gerealiseerd wordt. Op basis van die stelling bouwt hij een korte geschiedenis op van de haat tegen poëzie, van Caedmon via Sidney’s Defense of Poesy over Keats en Whitman tot Claudia Rankine

De eeuwenlange teleurstelling bij dichter en publiek dat deze verwachtingen niet werd ingelost, heeft volgens hem tot een permanente toestand van haat geleid. Haat bij de dichter ten opzicht van zijn of haar eigen falen, haat bij het publiek ten opzichte van de falende, de Hemel belovende dichters. 

De haat tegen poëzie die Lerner beschrijft, is de haat tegen het leven, de haat tegen het mens-zijn. Het is de aangeleerde haat tegen de beperking van ons bestaan, in contrast met het perfecte van het na-bestaan, het niet-bestaan. Het is de haat die de stille, agressieve kracht van onze Westerse cultuurgeschiedenis vormt, die ons gevangen houdt in angst en voortvloeit uit het niet-aanvaarden van de beleefde, betekenisloze werkelijkheid. 

Mijn blik valt op de lege stoel aan de overkant van het tafeltje. Ik zit met zoveel vragen. 

‘Je schept in The Hatred of Poetry, zoals zovelen voor jou, een extra wereld om het bestaan van deze wereld zin te geven. Andrea Brady, ik moest haar naam even opzoeken, wou je geruststellen in het interview, dat je in een tweede editie de kans zou hebben om je onduidelijkheid recht te zetten, misschien te vermelden dat er anderen zijn die geloven in die extra wereld, maar dat jij dat daarom niet noodzakelijk doet. Zou je dan ook zeggen dat alle menselijke gedichten imperfect zijn, en altijd teleurstellend, net zoals het menselijk bestaan dat is? Zou je zeggen dat ze op die manier ook perfect zijn, perfect als in: helemaal zichzelf, vol van zichzelf, oneindig diepte op een eindige lengte, zonder dat er een méér is, een élders dat beter, hoger, heiliger, poëtischer is? Dat er tussen ‘ja’ en ‘nee’ misschien warmte en troost te vinden is? 

Zou je durven zeggen wat je weet maar waarmee het moeilijk gelijk halen is? 

Ik vroeg vorige week aan mijn zoon van zeven wat hij over gedichten dacht. Dit is, woord voor woord, wat hij zei: 

een gedicht is mooi

een gedicht is raar

waarom snapt niemand

een gebaar 

Hij weet niet wat hij zegt, hij heeft nog niet de jaren van lezen en denken om wat hij voelt en zegt van argumenten te voorzien. Maar wat hij zei, zette me aan het denken. Het gedicht als gebaar. Het woord als daad, het schrijven als praxis. Heden, vandaag, elke dag opnieuw hedendaags. 

Ik denk aan de hedendag van Plato, hoe hij kostte was kost Iets moest bedenken dat, buiten de verschrikkelijk imperfecte werkelijkheid om, het menselijk bestaan verantwoordde, een alternatief kon zijn voor de wereld van pijn en verwarring die hij voor tijdens en na de gouden dagen van de Atheense democratie beleefd had. 

Ik denk aan de hedendag van Marsilio Ficino, wiens Opera Omnia-vertaling van Plato in razend modern vijftiende-eeuws Firenze de inspiratie werd voor honderden jaren van Europese stadsmaatschappijen. 

Ik denk aan de hedendag van Samuel Coleridge, zijn Stateman’s Manual en zijn translucente Symbool, hoe het door M.H. Abrams en zijn ideologiserende volgelingen gebruikt werd om een christelijk-permanent wereldbeeld in stand te houden te midden van razende modernisering. Hoe het nu nog steeds ons denken zozeer doordringt dat zelf jij, Ben, je in je emotie laat meeslepen in een idealistisch betoog waar je achteraf spijt van hebt. 

Keats noemde het negatieve capabiliteit om schoonheid te zien in het verwarrende. Ik zou je willen vragen, of jij, die zo goed lijkt te weten dat ik niet ik ben en jij niet Ben, of jij bij nader inzien niet liever woorden had willen geven aan het aanvaarden, omarmen en liefhebben van het leven dat wij poëzie noemen, in plaats van het succes te oogsten met haat. 

Ik schrijf je vanop een leeg terras en een bewolkte dinsdag aan de Schelde, Ben. Mogelijk zijn anderen beter geïnformeerd over de kalender van de palingvisserij in Klein-Brabant dan ik. Voor me de vereeuwigde rug van Emile Verhaeren, iets verder de trappen en zijn bronzen kist, waar zijn lichaam verging naast dat van zijn geliefde Marthe. Ik beeld me een rustig burgerkoppel uit Bonheiden in, aan het tafeltje naast mij, hun koffie en Duvel, hun bezorgd staren naar mijn intens typen en de geobsedeerde blik daarbij. Ik denk niet dat ze mij zouden haten als ik zou opstaan om hen te vertellen dat ik dichter ben. De verwachtingen die jij op je geprojecteerd voelt, voelen zij niet. Zij verwachten niet dat poëzie de wereld zou veranderen. Misschien is dat het, en ligt het aan ons. Verwacht jij teveel van mij en ik, zoals steeds, teveel van jou. Met liefde, 

Kasper’

Many thanks to Nadia Sels for giving me Ben's book and asking me to write about it. 

* Ben Lerner's The Hatred of Poetry can be bought here (or maybe here in Dutch, as 'Waarom we poëzie haten'). This translation is also available in some Brussels' libraries.

For those who would like to read a translation of the above text in English, Deepl has translated my text into computer English. Will edit it soon. Please drop me a message if you want to help me with that. 

HUNKER

Zou het aan mij liggen?
Laat ze je niets wijsmaken.

De stad is nog steeds dezelfde. De stad is altijd de stad geweest. De verwachtingen, die nooit helemaal ingelost worden, de wild in alle richtingen tegelijk in het rond schietende energie van al dat jeugdig geweld dat jong wil zijn, dat wil zeggen vrij wil zijn, zichzelf wil zijn, niet alleen wil zijn, alleen wil zijn. De verveling. Het gevecht tegen de verveling, het gevoel dat er nooit tijd genoeg is tijdens de vele uren die moeten gevuld worden, het vergeten dat wij het zijn, elk van ons, elk van jullie die op eigen kracht de tijd maken. Dat die tijd er alleen maar is zolang jij er bent om die voort te brengen.

De goede bedoelingen, de rampzalige gevolgen van de goede bedoelingen, de wonderlijk prachtige gevolgen van de goede bedoelingen. Het kreunen in de dode uren van de zomernamiddag, het kreunen in de nacht, het kermen in de nacht. Het razen van wielen over wegen in de nacht, het jammeren van banden in bochten, van kettingen in donkere kelders. Het willen vluchten in de nacht. Het kunnen vluchten in de nacht. Het durven vluchten in de nacht. Het niet durven vluchten in de nacht, het blijven blijven blijven blijven tot er niets meer van de blijver overblijft en het te laat is, te laat om te vluchten en de zoveelste ziel moederziel alleen wegzinkt tussen de voegen van de kasseien die ouder zijn dan alle reeds verdwenen en snel verdwijnende dierensoorten. Hoe we de koude krokodillenblik van onze kasseien willen verbergen onder een korstje mensenmacadam en daar slechts hier en daar en halfslachtig in slagen.

Onder de wielen
het asfalt
Onder het asfalt
de kasseien
Onder de kasseien
de zand

Onder de zand weer steen, koude lava, en onder de koude lava de hete kern van de kolkende vulkaan die zo vast onder onze voeten, onder onze wielen lijkt, de vulkaan die we in- en uitademen en die als een bliksemschicht door ons heen snijdt bij elke allerliefste glimlach van elk eerste lief elk nieuwste kind elke tengere oudere moeder en haar gebroken dromen.

 De stad is de stad is de stad die zwijgt over haar verleden die niet zoals het land van de boeren spreekt in trage tongen uit elke morzel klei van vroeger en het eeuwig terugkeren van zon en regen, neen! de stad die zichzelf wil vernietigen om plaats te maken voor zichzelf, geen eeuwige terugkeer, de vlucht vooruit, de uitvinding van de onvoltooid toekomstige tijd en op elke hoek een vlag van de dag van morgen in de ogen van vier tienerjongens in een net te wijde broek in een net te smalle broek. Wie geen schuld kent, kent geen vergiffenis, de stad kent de wetten van boete en straf en hoop, wij zijn gevormd met het water dat de brandende galgen doofde op de heuvels boven onze dagen. Na eeuwen zindert de sintel gaten door onze zolen, gaten door onze voeten stap voor stap op het pad van de eeuwige jeugd, de vermoorde onschuld, uitgestippeld voor jou voor jij er was, voor wij er was. 

De stad gaat over lijken om deuren te openen naar wat niemand mogelijk achtte en ja! Wat maakt het ons bang om de stad te zijn om niet meer deel van de veilige voorzichtige troep te zijn, het dorp te zijn, mezelf te zijn, me te moeten verhouden tot mijn deur mijn elektriciteitskast mijn geabimeerde müllbakken mijn speeksel op mijn stoep mijn amechtige pogingen tot organisatie mijn hopen in elkaar gestampte hopen expedit billy vikka amon dombå mijn rottend vlees in plastiek lijkzakken. 

We zijn een razend monster de stad als we buiten komen, naar de buiten komen krimpen de oude tantes achter hun ijscoupés want in ons dragen wij het zaad en de vrucht van de broodnodige vernietiging, de komst van nooitkomtniksmeerterug. We kapen de ruimte, brengen tranen teweeg maar ACH! we mogen het onszelf niet gunnen bij tranen stil te staan, niet bij de onze niet bij de jouwe. ’s Ochtends zijn we het op het appèl in blauwgeslagen ogen en de vuile jas van de nacht en we scanderen onze eigen namen, we dwingen het opkomen van de zon af met onze natte dromen: zonder ons is het bij voorbaat gedaan. 

Het spijt ons niet dat we beschimpt en bezoedeld worden voor en door het vuil van de straat, we reiken onze broeders en zusters de bloederige hand , zijn net als jij op de vlucht voor ons verleden, de moordlustige waanzin van wat en wie voor ons kwam en ons ongevraagd ter wereld baarde. Over tijd en ruimte en tranen reiken we elkaar de hand en voelen de hunker te bestaan, bestaan te hebben, gezien te zijn, in een nieuwe tijd, een andere tijd, onze tijd, vrijheid. 

We geloven in zoveel dat we onbetwijfelbaar worden. 

De stad bestaat bij gratie van zichzelf net als jij, men heeft geen dankbedes te delen, je kreeg hier niets cadeau. 

Laat je niets wijsmaken.   

Back cover of the FILIP ANNEESSENS bookPhotograph by Filip Heymans

HUNKER is a text I wrote as one of three texts of the FILIP ANNEESSENS book published by Recyclart Art Center. 

Many thanks to Vincen Beeckman for asking me to write for this amazing book and for the late Filip Heymans for all his amazing photographs. This book truly is a unique gem in Brussels' visual history.

More info: https://www.bruzz.be/culture/art-books/pere-filip-de-vergeten-jeugdheld-van-de-anneessenswijk-2020-02-20 Books can be ordered through Johnny Heyvaert

All photographs in the book and on this page © Filip Heymans.

COMPACT! - Sheep in the City

Portrait of Sheep #2Brussels, summer of 2019

A herd of sheep in the city, Brussels, 2019. A community center bringing two artists together to reflect on how sheep in the urban landscape could be away to research community, to create interaction, to ask questions. Portraits of sheep, kin to men. Details of their coats, close-ups of their faces.

Many thanks to Charlotte Bonduel of Gemeenschapscentrum Kontakt (part of n22.brussels ) for starting this soft revolution of a project with Ewout D'Hoore and inviting me to meet and spend time with them and their band of kind sheep.

The photos were printed on very large blue-back posters and pasted onto the parts of the city where the sheep had been in the summer, as a way of re-introducing them again into the neighbourhood and start a reflection on the possibility of a presence of sheep and other grazing animals in our contemporary urban fabric.

Compact Expo Poster by GC Kontakt

Did you know sheep can remember as many as 50 different faces, for as long as two years? That's more than most people.

Did you know sheep need a leader to go somewhere, that they get stressed without a leader, and that they elect or force someone to become their leader if there is none?

Did you know sheep can recognise expressions on faces, and that they prefer a happy face to a frown?

Did you know sheep can establish lasting bonds of friendship?

Cité de l'Amitié 21,5 x 2,3m posters were pasted around the neighbourhoods were the sheep had been in summer.
Sheep, at the school (COMPACT EXPO, DAY I) The sheep had their temporary grazing patch next to a school not far from GC Kontakt. The sheep returned in the form of staketsels, eerily finding their place behind the enclosure again. >> http://www.kasperdemeulemeester.be/essays/2020/02/compact/

PHI

Phantasmata: 3600steps.be

In my symbolic universe, the phi symbol stands for photography, philosophy, phantasmata. Using these three concepts as a methodological framework, I research the relations between reality, memory, images, history.

I try to share some of the findings of this research through the work I make, the words I write, but gradually also more and more as workshops, shared moments of thinking, talking, making, telling stories to ourselves and others. Saturday September 7th 2029 a new series of workshops starts, in the Brussels district Ganshoren, in the theme of dementia prevention. The workshops are a collaboration with brOes, the Brussels centre of expertise for dementia, and with LDC De Rotonde en GC De Zeyp, the local elderly and community centres. Each of these boxes contains a pen, a handmade notebook, a set of photographic instructions and a disposable camera. 

Notes to Self I: poetry ≠ other lists of words

VERHOOGD VERSLENSINGSBESEF

against the wall
the men were lined up
against the wall

they were young
men some
folks from the city
sanitary department had
come to line up
against the wall

they showed no
particular interest
in the events
bound to follow
smoking
silently, dragging
heavy stuff
a quiet chorus
clouded my eyes

there was noise in the air
most perfectly still
of metal on stone
of cloth on brick
their eyes were shrouded

from my view up high
I could see their backs arch
they had to be somewhere
they must have had to be somewhere
gloomily lined up
against the wall.

from: NOTES TO SELF I (2017/2018)


‡‡‡EEN NIEUWE LIJST VAN OUDE DINGEN‡‡‡


- ARE THE BUSH DOCUMENTS FAKE?
DE STAAT VAN GEWELD (Willem Schinkel)
- ZEER KORTE AFSPEELLIJST

BESMETTE STAD


Currency - A Polaroid Portrait Studio

In Currency, a Polaroid® Portrait Studio, a camera is placed on a tripod, lights are set up, a white background and mobile set design clearly communicate: this is a photo studio. Clothed in a white suit, the photographer stands representing the lab-technician, the anthropologist, the missionary, the negative of the black suit of the Belgian market-place photographer inhabiting Marquez’ Love in Times of Cholera.

The photographer descends on public space to make people’s portraits. Only: a Polaroid® is a unique object. Who owns this copy? Is it the photographer’s (intellectual) property, of does it belong to the portrayed, whose image makes it possible? Are we the owner of our own image? Here, the photograph is given away to the portrayed, in exchange for a small commodity, which can be financial or not. A question can serve as currency.
The photographer has to deal with the inevitable loss of his pictures, with the possible futility of the effort to eternalise the present. The photographer has his book-keeping to keep a trace of moments passed. The register accounts for his work, it unites names of sponsors and questions deemed valuable enough by the portrayed.

The Currency portrait session is an attempt to connect, to communicate, within a photographic universe, a transaction of time of which both parties keep a trace. Currency is a research project on the value of photography, a tentative way to deal with the promises of photography, a decolonizing of the societal position of the photographer as a hunter of images, searching for a way to stand as equals in the studio.

Photo by Ine Hedrickx
SOKL Festival 2019, AntwerpA replica of the base of king Leopold II's statue in Brussels, devoid of its contested rider. How do contemporary artists approach this object? How can a new approach to this foundation of colonisation become a starting point for artistic reflection on decolonization?
Anderlecht, De Koer, 2018During my residency at De Koer, Anderlecht.
Molenbeek, 2018As a next level to the Currency-work in Molenbeek, I returned after the festival to return the questions the portraitees had given me to the square.

Phantasmata : Photographic-Therapeutic Walks

Phi is for Photography
Phi is for Phantasma
Phi is for Phantasmata
"In his work De Anima, Aristotle defines the imagination as a place situated at an intersection halfway between perception and thought, thus making possible a fluid connection between these two processes while still remaining different from both. […] images that are derived from the memory of the perceived; in other words, created from the experience of sensory perception of singular objects and events. (Luigi Fassi, Fantasmata)"
"For Barthes, the phantasma is the formulation of the desire which structures our view of reality, which expresses our affective relation to our body and to the surroundings in which this body finds itself. This affective engagement is something I experience when something seizes me […], even if I’m not able to exactly explain why it seizes me. The phantasma is the concise expression of something which keeps returning in similar images, ideas, stories, characters or spaces which speak to me […]. The only thing I can say about these, is that this ’something’ is related to me, to the life I lead or want to lead: what are the desires or obsessions that unconsciously concern me, what are many of the stories and images about that appeal to me? (Kris Pint, De Wilde Tuin van de Verbeelding)

In 3600 Steps a team of Reporters participates in a Photographic-Therapeutic Walk through the city, straying from street to street without a goal, alone, without a plan, moving to a rhythm that has been set before, to a tempo that is theirs and theirs only. According to the instructions they received when they started, they photograph their surroundings, ever less consciously. The act of photography becomes part of the rhythm of walking and counting. The "decisive moment" feels more like a temporary release from meditation, like a swimmer coming up for air. While the Reporters make their way through the city, their simultaneous drifting turns into a choreography only visible for those who are not reporting. It might be that not all those who wander are lost, but these men and women lose themselves, if they had themselves to lose to begin with.

While they are walking, the images they create appear online, in real-time. A subconscious portrait of the city emerges, as (dis)connected from itself as the Reporters are from themselves. In this sense, these images are the Reporters' Phantasmata, originating from a mental space between the unconscious and the conscious, between memory and perception.

A photographic event happening at different locations in the city at the same time, a Walk is as much a performance about connection and connecting, as it is a photographic endeavour to create a-conscious image material, as it is a moment in time and out of time, a temporary release of the ego through rhythm of counting, walking, creating images.

/The first Photographic-Therapeutic Walk happened in Brussels on the 28th of April 2018, as part of the Enter Festival and the Wandering Arts Biennal hosted by nadine, laboratory for contemporary arts. For this event, Enter Festival released a mini-zine in an edition 40, which every Reporter received. The booklet contained Phantasmata of all Reporters. The graphic design and composition of this booklet was a collaboration with garage64, graphic designers of the Enter Festival.

Phantasmata I (detail)At the end of the first Photographic-Therapeutic Walk, a free zine called FTW was offered to the public. It was the first iteration of the Phantasmata.

/Further group walks took place in Brussels in 2018, in the center of the city and in Anderlecht.

/In 2018 and 2019, the Phantasmata were presented to the public during different public moments.

- At Tropicana in November 2018

- At Recyclart in December 2018 and January 2019

Phantasmata IVInstallation as part of group expo Garage Pirate, in Recyclart, Brussels, January 2019.
Phantasmata IV (detail)Installation as part of group expo Garage Pirate, in Recyclart, Brussels, January 2019.

- At De Rinck in March 2019, where a zine was also presented to the public, in which the Anderlecht Phantasmata were coupled with a poem in four parts by Alex Deforce.

Autobiografie van een KoerLimited edition zine with photos by me (and participants in my Photographic-Therapeutic Walks) and an amazing poem by Alex Deforce , screen printed at Chromodrome, Brussels. Anderlecht

Current Events

Upcoming:

  • Currency - a Polaroid Photo Studio

July 8, 2018 - De Koer, Anderlecht, Belgium

  • Photographic-Therapeutic Walks

July 20, 2018 - De Koer, Anderlecht, Belgium

Past:

  • Currency - a Polaroid Portrait Studio

from May 3 until 23, 2018 - Gemeenteplein Sint-Jans-Molenbeek, Belgium

May 6, 2018 - Royal Park, Brussels, Belgium

December 20, 2017 - Cinema Zed, Leuven, Belgium

September 3, 2017 - Park Elisabeth, Koekelberg, Belgium

  • Photographic-Therapeutic Walks

April 28, 2017 - Béguinage, Brussels, Belgium

  • Exhibitions

3 Jaar Oogst, Antwerp, April 2018 (Group exhibition alongside work of Luc Tuymans, Rinus Van de Velde, Kati Heck, Richard Deacon, Brecht Vandenbroucke and Geert Goiris.


Non-current events are to be found in the CV.  

Akkâsi


In Farsi, and in Arabic, from which it was derived, the word for photography was not invented to imply a new form of writing or painting ("drawing with light"). Instead, Arab and Persian cultures opted for a word, akkâsi, which had existed long before in their poetry.

In their view, a photograph is not a representant of reality, but is its opposite. Like a mirror. Like the reality of the reflection in another's pupils, connected to the physical world through its adversity to it.

I've always considered it impossible to prove that the reality in the mirror depends on the physical reality. It could perfectly be the other way round. A mirror as a portal between a number of adverse worlds, composed into a single world in the human mind.

Couldn't photographs be gateways into the world on the other side of the mirror, or, one might even suggest, create the reality on the other side?

kasper demeulemeester

ABSENCE

Selfportrait by Duo Portra Studio, 2013

As a self-taught photographer - I decided to study philosophy and history in order to find more questions to ask through photography, I guess - my approach versus my art has always been one based on historical (allegorical) and social practices. This evolved into a body of work around 'absence and photography'. Does photography as an art presuppose the presence or interference of an autonomous, free subject - the artist/photographer? Does it require an end product, a visible and present result - the photograph? Can photography, as an art form, create value and meaning in contemporary society, where not soon, but now, computers can create new images without human interference?
Can a 21st century photographer abandon the modernist-existentialist paradigma of his art, embodied by e.g. Cartier-Bresson or Stephen Shore?

Between 2009 and 2014 I realised a series of projects around these questions. Some of the results can be found here: 29 Luchten (2010), 333*365*n (2010-2011) en Duo Portra Studio (2013-2014). 

For 2018 I follow up to this triptych with two new projects: Photographic-Therapeutic Walks, (3600 Steps), and Currency, a Polaroid Portrait Studio.

ALL TOO HUMAN

"I have never been too fond of portraits. Sure, I love looking at people’s faces, their features, looks and complexions – those unlimited variations with which nature has endowed the human race. Portraits, however, often presuppose some kind of imaginary 'essence' in the person portrayed, which is then presented to us aesthetically as a given, something only the viewer can discover.

I don’t believe the ‘essence’ of a person really exists. I believe even less that photography could magically coax this ‘essence’ into being, let alone that another person might discover this so-called ‘essence’ just by looking at a photograph.

For me, creating portraits is about sharing a moment with another person, whilst remaining conscious of the impossibility of bridging the gap between individual existences. It is one of the most direct and powerful ways I know of touching upon the mutual experience of what it is to be human. This, I believe, is why I’ve been taking photographs of you for so many years, creating pockets in time by recording a momentary connection.

As a way of approaching this mutual experience, portrait photography allows for the possibility, slight as it may be, for the viewer to experience the same momentary connection between the photographer and the person portrayed beyond the boundaries of space and time.

That’s why I’ve decided to share these photographs here: so that all of you out there can take a look and maybe, just maybe, rekindle the connection between us.”

(In conversation with G.E. Watson, February 2017)

LTLuc Tuymans for Oogst Magazine #5, Antwerp, 2016
OlyslaegersJeroen Olyslaegers for Oogst Magazine #1, Antwerp, 2014
A l'été finissant The Terminus Family, Laeken, 2014 (Published as La tendresse, part 24/30)
Dave W. (White Hills)Aftershow portrait of Dave at Botanique, Brussels, 2012
Ed TempletonEd Templeton for VICE Magazine, Ghent, 2009
Joke Van LeeuwenJoke Van Leeuwen for VICE Magazine, Antwerp February 2010
Koen MortierKoen Mortier for VICE Magazine, Brussels, 2011
Rodolphe CosterAftershow portrait of Rodolphe Coster at Shindig, Brussels, 2013
The Violent HusbandsAftershow portrait of The Violent Husbands at Shindig, Brussels, 2013
Jeremy Earl (Woods)Aftershow portrait at Shindig, Brussels, 2009
Gregory WatsonAs BOSFIB soldier, Brussels, 2010

#1083 - part 1 - Duo Portra Studio

The Duo Portra Studio is a very intimate and mobile photo studio in which two people enter and are consecutively photographer and model. While they experience this photographic mini-universe, secluded from the world outside, they live through personal experiences and memories, which are not known to anyone, maybe not even to the person with whom they entered the Studio. The first sessions were held at the Plazey festival in June and July 2013, during which 180 people participated to the DPS Experience. An exhibit of these first photos is held early 2014.