HUNKER

Zou het aan mij liggen?
Laat ze je niets wijsmaken.

De stad is nog steeds dezelfde. De stad is altijd de stad geweest. De verwachtingen, die nooit helemaal ingelost worden, de wild in alle richtingen tegelijk in het rond schietende energie van al dat jeugdig geweld dat jong wil zijn, dat wil zeggen vrij wil zijn, zichzelf wil zijn, niet alleen wil zijn, alleen wil zijn. De verveling. Het gevecht tegen de verveling, het gevoel dat er nooit tijd genoeg is tijdens de vele uren die moeten gevuld worden, het vergeten dat wij het zijn, elk van ons, elk van jullie die op eigen kracht de tijd maken. Dat die tijd er alleen maar is zolang jij er bent om die voort te brengen.

De goede bedoelingen, de rampzalige gevolgen van de goede bedoelingen, de wonderlijk prachtige gevolgen van de goede bedoelingen. Het kreunen in de dode uren van de zomernamiddag, het kreunen in de nacht, het kermen in de nacht. Het razen van wielen over wegen in de nacht, het jammeren van banden in bochten, van kettingen in donkere kelders. Het willen vluchten in de nacht. Het kunnen vluchten in de nacht. Het durven vluchten in de nacht. Het niet durven vluchten in de nacht, het blijven blijven blijven blijven tot er niets meer van de blijver overblijft en het te laat is, te laat om te vluchten en de zoveelste ziel moederziel alleen wegzinkt tussen de voegen van de kasseien die ouder zijn dan alle reeds verdwenen en snel verdwijnende dierensoorten. Hoe we de koude krokodillenblik van onze kasseien willen verbergen onder een korstje mensenmacadam en daar slechts hier en daar en halfslachtig in slagen.

Onder de wielen
het asfalt
Onder het asfalt
de kasseien
Onder de kasseien
de zand

Onder de zand weer steen, koude lava, en onder de koude lava de hete kern van de kolkende vulkaan die zo vast onder onze voeten, onder onze wielen lijkt, de vulkaan die we in- en uitademen en die als een bliksemschicht door ons heen snijdt bij elke allerliefste glimlach van elk eerste lief elk nieuwste kind elke tengere oudere moeder en haar gebroken dromen.

 De stad is de stad is de stad die zwijgt over haar verleden die niet zoals het land van de boeren spreekt in trage tongen uit elke morzel klei van vroeger en het eeuwig terugkeren van zon en regen, neen! de stad die zichzelf wil vernietigen om plaats te maken voor zichzelf, geen eeuwige terugkeer, de vlucht vooruit, de uitvinding van de onvoltooid toekomstige tijd en op elke hoek een vlag van de dag van morgen in de ogen van vier tienerjongens in een net te wijde broek in een net te smalle broek. Wie geen schuld kent, kent geen vergiffenis, de stad kent de wetten van boete en straf en hoop, wij zijn gevormd met het water dat de brandende galgen doofde op de heuvels boven onze dagen. Na eeuwen zindert de sintel gaten door onze zolen, gaten door onze voeten stap voor stap op het pad van de eeuwige jeugd, de vermoorde onschuld, uitgestippeld voor jou voor jij er was, voor wij er was. 

De stad gaat over lijken om deuren te openen naar wat niemand mogelijk achtte en ja! Wat maakt het ons bang om de stad te zijn om niet meer deel van de veilige voorzichtige troep te zijn, het dorp te zijn, mezelf te zijn, me te moeten verhouden tot mijn deur mijn elektriciteitskast mijn geabimeerde müllbakken mijn speeksel op mijn stoep mijn amechtige pogingen tot organisatie mijn hopen in elkaar gestampte hopen expedit billy vikka amon dombå mijn rottend vlees in plastiek lijkzakken. 

We zijn een razend monster de stad als we buiten komen, naar de buiten komen krimpen de oude tantes achter hun ijscoupés want in ons dragen wij het zaad en de vrucht van de broodnodige vernietiging, de komst van nooitkomtniksmeerterug. We kapen de ruimte, brengen tranen teweeg maar ACH! we mogen het onszelf niet gunnen bij tranen stil te staan, niet bij de onze niet bij de jouwe. ’s Ochtends zijn we het op het appèl in blauwgeslagen ogen en de vuile jas van de nacht en we scanderen onze eigen namen, we dwingen het opkomen van de zon af met onze natte dromen: zonder ons is het bij voorbaat gedaan. 

Het spijt ons niet dat we beschimpt en bezoedeld worden voor en door het vuil van de straat, we reiken onze broeders en zusters de bloederige hand , zijn net als jij op de vlucht voor ons verleden, de moordlustige waanzin van wat en wie voor ons kwam en ons ongevraagd ter wereld baarde. Over tijd en ruimte en tranen reiken we elkaar de hand en voelen de hunker te bestaan, bestaan te hebben, gezien te zijn, in een nieuwe tijd, een andere tijd, onze tijd, vrijheid. 

We geloven in zoveel dat we onbetwijfelbaar worden. 

De stad bestaat bij gratie van zichzelf net als jij, men heeft geen dankbedes te delen, je kreeg hier niets cadeau. 

Laat je niets wijsmaken.   

Back cover of the FILIP ANNEESSENS bookPhotograph by Filip Heymans

HUNKER is a text I wrote as one of three texts of the FILIP ANNEESSENS book published by Recyclart Art Center. 

Many thanks to Vincen Beeckman for asking me to write for this amazing book and for the late Filip Heymans for all his amazing photographs. This book truly is a unique gem in Brussels' visual history.

More info: https://www.bruzz.be/culture/art-books/pere-filip-de-vergeten-jeugdheld-van-de-anneessenswijk-2020-02-20 Books can be ordered through Johnny Heyvaert

All photographs in the book and on this page © Filip Heymans.