Ben Lerner - The Hatred of Poetry ( vertaald als Waarom wij poëzie haten)

Ben Lerner Years Later/

‘Ben*,

Daarnet viel er licht door het achterste linkerraam van de Audi. Ik besliste om aan Moortgat nog eens linksaf te slaan. ‘Volgens mij is het weer palingseizoen, ‘ dacht ik, maar ik vergiste me. Even later was ik, wederopkomende buikloop in het vooruitzicht, genoodzaakt me hier in café De Kaai te installeren. Als het ergens moest gebeuren, kon het evengoed hier zijn.

Ik schrijf je dus vanop een terras aan een parking, aan een bocht in de Schelde. Ik overzie de Evernote-notities, de iPhone Notes-notities, de stapeltjes in twee gescheurde A4’s gered uit en voorbestemd voor de papiermand, de openstaande Chrome-tabbladen, het interview met de London Review of Books dat de soundtrack vormt van deze woorden, de pagina’s in schriftjes en schriften, weken van leegte gevuld met jouw haat. Hoe ben jij ooit in mijn leven gekomen?

Ik herinner me de mail waarin Benjamin Sprengers me attent maakte op jouw bestaan, in de zomer. Ik checkte het zojuist in m’n Gmail en ontdekte dat het in die zelfde mail was dat ik Benjamin van de kanker van mijn vader vertelde, de heup van mijn moeder, dezelfde mail ook waarin ik hem antwoordde (maar niet stuurde) hoe ik gewoon hoopte niet te plooien onder al wat mij overspoelde. Tussen dat alles door beschreef Benjamin je als iemand die ‘vooral vanuit zijn eigen standpunt lijkt te schrijven, maar zijn slimheid en poëtische vermogens maken dat hij steeds iets wezenlijks aanraakt over het leven in deze tijd.’

Ik ging op zoek en leerde dat je als schrijver wereldberoemd en gelauwerd bent, omwille van het subtiele, hedendaagse spel dat je speelt met vertelperspectief en protagonist, mens en dichter, dichter en schrijver. Hoe je het Ik grondig uit elkaar trekt en zo ironisch zelfbewust elke mystificatie van het menselijke Zelf voorkomt, in vraag stelt, aanvalt. in 10:04 en The Polish Rider toonde je hoezeer je het spel van verwachtingen en inleving beheerst, het medium en de inhoud exact weet af te meten. Men vertelt me dat je in Leaving the Atocha Station, dat ik nog niet las, je verteller prachtig de kloof tussen dichter, dichtkunst en poëzie laat uitspitten…, ’ 

Ik stop met schrijven. Het London Review of Books-interview heb ik op pauze gezet, terug naar het begin gesleept. Na 6 minuten (van de 53) zei Lerner dat het hem spijt, spijt dat hij het upgefucked heeft, dat hij in The Hatred of Poetry wat duidelijker had moeten zeggen dat hij ook wel wist dat het Perfecte Gedicht niet écht bestond, dat het hem erom ging dat er eisen aan poëzie gesteld worden die met de beste wil van de wereld door gedichten kunnen verwezenlijkt worden 

Wat moet ik met deze spijt en dit schuldbesef? Wat moet ik nu met het hele oprechte pleidooi van het essay? Het lijkt erop dat hij The Hatred schreef vanuit een schaamte, vanuit het gevoel gehaat te worden als dichter. (Ik herinner me mijn lief die me, moegetergd door uren emotionele discours, probeert duidelijk te maken dat het niet is omdat ik me onbegrepen voel, dat ik ook echt onbegrepen ben.) 

In een van mijn tabbladen staat het gesprek dat Ben Lerner in 2012 had voor de Los Angeles Review of Books met zijn vriend en favoriete dichter Cyrus Console. Had ik dat stuk gelezen voor ik het essay las, ik had geen woord geloofd van wat hij schreef, de twijfel over zijn kunst te diep, de twijfel over zijn twijfel te groot. Maar ik las het pas nu, en nu is het te laat. Want The Hatred of Poetry is wat het is, uitgegeven, vandaag voor 22u besteld, morgen geleverd, in het Engels of het Nederlands. 

In tegenstelling tot in zijn romans hield Lerner in The Hatred of Poetry de schijn hoog dat de verteller en de schrijver één waren, maar niet, dus. Ik weet niet meer tot wie ik me nu richt, maar verder moet je, wanneer er sprake is van liefde. 

‘…en zo had je eind 2016 in The Hatred of Poetry de kans, het publiek én het momentum om uit te pakken. Je bouwde je argumentarium uit, boos was je, druppel na druppel je dichtersemmer met onbegrip gevuld. Je schreef er voor de London Review of Books een dagboekstuk over, persoonlijk, urgent, vanuit een oprechte verontwaardiging en twijfel over je gelijk. Je bouwde je dagboekstuk uit tot essay, noemde het The Hatred of Poetry – ik begrijp dat, haat verkoopt. Daarin wou je zó graag je slim, goedgevonden punt maken dat je doorprikbaar werd. Je stond klaar om iets te zeggen over menselijkheid, aanvaarding, empathie in een wereld zonder Idealen, een grond zonder Hemel, maar herschiep God.’ 

Waarom ben ik zo boos? Ik moet een paar stappen terug, mentaal mijn tong zeven keer ronddraaien in mijn mond. Het punt dat Lerner wou maken in het essay: poëzie en haat tegen poëzie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Elk gedicht faalt ten opzichte van het ideale, Platonisch Perfecte Gedicht waarin het onderscheid tussen subject en object, vroeger en later, hier en daar, jij en ik, opgeheven wordt. Dit Perfecte Gedicht is zowel de meest individuele expressie van de meest individuele emotie als universeel begrijpelijk. 

Deze theorie bouwt Lerner op vanuit Plato’s veroordeling van dichters in de Politeia en vanuit diens axioma dat opdat iets imperfects zou kunnen bestaan, er een Perfect Idee moet bestaan in vergelijking waarmee al het geactualiseerde imperfect is, en dus faalt. Mensen haten dus al millennia imperfecte, geactualiseerde poëzie, omdat er perfecte Poëzie bestaat die nooit door levende, menselijke dichters gerealiseerd wordt. Op basis van die stelling bouwt hij een korte geschiedenis op van de haat tegen poëzie, van Caedmon via Sidney’s Defense of Poesy over Keats en Whitman tot Claudia Rankine

De eeuwenlange teleurstelling bij dichter en publiek dat deze verwachtingen niet werd ingelost, heeft volgens hem tot een permanente toestand van haat geleid. Haat bij de dichter ten opzicht van zijn of haar eigen falen, haat bij het publiek ten opzichte van de falende, de Hemel belovende dichters. 

De haat tegen poëzie die Lerner beschrijft, is de haat tegen het leven, de haat tegen het mens-zijn. Het is de aangeleerde haat tegen de beperking van ons bestaan, in contrast met het perfecte van het na-bestaan, het niet-bestaan. Het is de haat die de stille, agressieve kracht van onze Westerse cultuurgeschiedenis vormt, die ons gevangen houdt in angst en voortvloeit uit het niet-aanvaarden van de beleefde, betekenisloze werkelijkheid. 

Mijn blik valt op de lege stoel aan de overkant van het tafeltje. Ik zit met zoveel vragen. 

‘Je schept in The Hatred of Poetry, zoals zovelen voor jou, een extra wereld om het bestaan van deze wereld zin te geven. Andrea Brady, ik moest haar naam even opzoeken, wou je geruststellen in het interview, dat je in een tweede editie de kans zou hebben om je onduidelijkheid recht te zetten, misschien te vermelden dat er anderen zijn die geloven in die extra wereld, maar dat jij dat daarom niet noodzakelijk doet. Zou je dan ook zeggen dat alle menselijke gedichten imperfect zijn, en altijd teleurstellend, net zoals het menselijk bestaan dat is? Zou je zeggen dat ze op die manier ook perfect zijn, perfect als in: helemaal zichzelf, vol van zichzelf, oneindig diepte op een eindige lengte, zonder dat er een méér is, een élders dat beter, hoger, heiliger, poëtischer is? Dat er tussen ‘ja’ en ‘nee’ misschien warmte en troost te vinden is? 

Zou je durven zeggen wat je weet maar waarmee het moeilijk gelijk halen is? 

Ik vroeg vorige week aan mijn zoon van zeven wat hij over gedichten dacht. Dit is, woord voor woord, wat hij zei: 

een gedicht is mooi

een gedicht is raar

waarom snapt niemand

een gebaar 

Hij weet niet wat hij zegt, hij heeft nog niet de jaren van lezen en denken om wat hij voelt en zegt van argumenten te voorzien. Maar wat hij zei, zette me aan het denken. Het gedicht als gebaar. Het woord als daad, het schrijven als praxis. Heden, vandaag, elke dag opnieuw hedendaags. 

Ik denk aan de hedendag van Plato, hoe hij kostte was kost Iets moest bedenken dat, buiten de verschrikkelijk imperfecte werkelijkheid om, het menselijk bestaan verantwoordde, een alternatief kon zijn voor de wereld van pijn en verwarring die hij voor tijdens en na de gouden dagen van de Atheense democratie beleefd had. 

Ik denk aan de hedendag van Marsilio Ficino, wiens Opera Omnia-vertaling van Plato in razend modern vijftiende-eeuws Firenze de inspiratie werd voor honderden jaren van Europese stadsmaatschappijen. 

Ik denk aan de hedendag van Samuel Coleridge, zijn Stateman’s Manual en zijn translucente Symbool, hoe het door M.H. Abrams en zijn ideologiserende volgelingen gebruikt werd om een christelijk-permanent wereldbeeld in stand te houden te midden van razende modernisering. Hoe het nu nog steeds ons denken zozeer doordringt dat zelf jij, Ben, je in je emotie laat meeslepen in een idealistisch betoog waar je achteraf spijt van hebt. 

Keats noemde het negatieve capabiliteit om schoonheid te zien in het verwarrende. Ik zou je willen vragen, of jij, die zo goed lijkt te weten dat ik niet ik ben en jij niet Ben, of jij bij nader inzien niet liever woorden had willen geven aan het aanvaarden, omarmen en liefhebben van het leven dat wij poëzie noemen, in plaats van het succes te oogsten met haat. 

Ik schrijf je vanop een leeg terras en een bewolkte dinsdag aan de Schelde, Ben. Mogelijk zijn anderen beter geïnformeerd over de kalender van de palingvisserij in Klein-Brabant dan ik. Voor me de vereeuwigde rug van Emile Verhaeren, iets verder de trappen en zijn bronzen kist, waar zijn lichaam verging naast dat van zijn geliefde Marthe. Ik beeld me een rustig burgerkoppel uit Bonheiden in, aan het tafeltje naast mij, hun koffie en Duvel, hun bezorgd staren naar mijn intens typen en de geobsedeerde blik daarbij. Ik denk niet dat ze mij zouden haten als ik zou opstaan om hen te vertellen dat ik dichter ben. De verwachtingen die jij op je geprojecteerd voelt, voelen zij niet. Zij verwachten niet dat poëzie de wereld zou veranderen. Misschien is dat het, en ligt het aan ons. Verwacht jij teveel van mij en ik, zoals steeds, teveel van jou. Met liefde, 

Kasper’

Many thanks to Nadia Sels for giving me Ben's book and asking me to write about it. 

* Ben Lerner's The Hatred of Poetry can be bought here (or maybe here in Dutch, as 'Waarom we poëzie haten'). This translation is also available in some Brussels' libraries.

For those who would like to read a translation of the above text in English, Deepl has translated my text into computer English. Will edit it soon. Please drop me a message if you want to help me with that.